Gedicht De Hoofdige Boer

 

Mr. Anthony Christaan Winand Staring (1767-1840)

DE HOOFDIGE BOER

EENE ZUTPHENSE VERTELLING

“Swerving from our father’s rules is Calling all our fathers fools”

 

Elke weet, waar ’t Almensch Kerkje staat.

En kent de laan, die derwaarts gaat.

Een duiker perst daar, onder ’t spoor

Zijn schuim tot in de Berkel door:

Al golft rondom de wintervloed,

Men komt ter preek met droogen voet.

 

Eens was het anders hier ter stee (accent grave of ‘dakje op de 2e e),

Wanneer een voord den weg doorsnee,

En ’t brugje naast die voord geleid,

Den smaad droeg van zijn nieuwigheid.

Ik vond een boek, dat meldt daarvan,

Wat volgen moet, zoo ’t rijmen kan.

 

De voord, dan min dan meerder diep,

Naar sloot en scheigrep stond of liep,

Was Almens gansche tempelschaar –

Vooral de Meisjes! Tot bezwaar:

Met Schade aan dure feestkledij

Kwam menig aardig kind niet vrij;

Men raakt ein ’t weet op ’t lange pad;

Met vatt’e koude in ’t modderbad:

En de ijver om ter kerk te gaan

Bragt buikpijn en geen stichting aan.

 

Kortom die voord was elks verdriet,

In Almens needrig dorpsgebied;

Van toen de Mied per bezemstok,

Den schoorsteen uit daar overtrok,

Tot, na verloop van eeuw en dag,

De Tooverkunst begraven lag:

Waneer een Kerkedienaar kwam,

Die ’t oud gebrek ter harte nam,

En, op een morgen na ’t sermoen,

Zijn woord aldus begon te doen:

“Mijn Vrienden, in mijn prillen tijd,

Ten herder van dit oord gewijd.

Zwom ik, met onbezweken trouw,

Mijn kudde voor, naar ’t kerkgebouw.

Ook haden nog, hoe grijs van kin,

Schoot ik getroost den slibkuil in;

Maar ’t wil niet meer, en blijft het dus,

Zoo heet ik ras emeritus.

Met droogen hoest en jicht bezocht,

Verlaat mij kracht en ademtocht.

Nog tweemaal als van daag doorweekt,

Eilaas, dan heb ik uitgepreekt!

 

Een Brug, op ’t smalste, naast den voord,

Uit planken van ’t geringste soort,

Ziet daar mijn winch! Vergeet toch niet,

Wat ge in dien poel al schoenen liet!

Denkt aan uw kostlijk zondagsgoed!

Ligt vindt gij, eer het werk verjaart,

Uw uitschot dubbel ingespaard:

En ik behoef den baai noch drop,

En luik weer als een arend op!”

 

Hier zweeg de Man. Zijn aanspraak had

De luidjes bij hun zwak gevat.

Het stuk kwam ernstig op ’t tapijt:

En wat men hoorde, wijd en zijd,

Was, viermaal dertig dagen lank,

Slechts palen, balken, rib en plank;

En, driemaal dertig andermaal,

Slechts planken, ribben, balk en paal!

Ja, ’t scheen, zoo ver de Berkel vloeit,

Zou’ ieder boord met hout beschoeid;

Of dat een reuzenzoldering

Den ganschen stroom verdekken ging.

Docht, met Aprilmaands lesten dag,

Moest blind zijn, die de brug niet zag!

Nog blinder, die met Julij kwam,

En niets van ’t groen portaal vernam.

Ter dankbetoonde offerrand,

Door ’t Maagdengild daarop geplant!

 

’t Had reden! Want, hoe kirsch men was,

De vlierpot bleef nu in de kas;

Kalmink noch sergie liep gevaar;

En schoenloos werd geen wandelaar.

Zoo groeide een wijsgegeven raad

Ten milden oogst van zegenzaad!

En toch, dat werk met roem bedenkt,

Had Scholte Stugginks gal gewekt!

 

Daar kwam hij! Zonder ba of boe;

Gelaarsd, tot aan de heupen toe;

Een knubbelstok in iedre hand,

Kwam onze Paai, en stak van land,

Zoo vaak de preekklok werd gehoord,

De Brug bezijden, in de voord!

Het vroege kerkvolk, droog daarnaast,

Was van dit breemd bedrijf verbaasd,

En ’t vragen keek uit elk gezigt;

Doch ieder hield zich wijslijk digt;

De troep kwam later op het pad,

Waar Scholte Stuggink praat voor had:

Zijn makkers, uit den gulden tijd,

Dien vlieger, tol en bal verblijdt.

’t Waarom en ’t hoe bleef dus gespaard,

Tot Wolter, naar den eisch bejaard,

Door gunstig toeval, juist van pas

Getuige van ’t spektakel was.

 

“In Goos naam, zeg ons Scholtebuur”

Hieft Wolter aan “wat raarder kuur!

Hoe plomp gij ons zo dol voorbij?

Geloof, de brug draagt u en mij!

 

“Ja” klonk het uit de modderzee

“De Scholtebuur en bij zijt twee!

Gelooft hij niet wat gij gelooft:

Zoo menig manisch, zoo menig hoofd.

 

Zie daar! Al werd uw brug van steen,

Toch zal ze Stuggink nooit betreen!

Wie eere geeft krijgt eer weerom:

Onze ouders waren ook niet dom!

Een brug valt ligt in een te slaan;

Onze ouders hebben ’t nooit gedaan;

Zij gingen waar, nu Stugging gaat,

Eeuw in eeuw uit, de modderstraat,

Al weten wij de reden niet,

’t is vast op goeden grond geschied;

En hebt gij hier een brug gemaakt,

Zoo hebt ge uw’ ouders eer geraakt!

Laat dit genoeg zijn, Wolterbuur;

De klok houdt op; ’t is negen uur.

Bouwt Gij een brug om droog te gaan?

Ik kom er ook, met LAARZEN aan!”